
Amstelveenscheweg 797
de dieren
En dan was het zomer in m’n kleuterjaren (eerste jaren dertig) en dan stonden alle ramen en deuren van het huis aan de tuinkant open. De zon rende in en uit. De grote achtertuin met z’n seringen en pioenen en morellen en peren en appels en frambozen en peulen en… en… die tuin was een warm paradijs (echt!) van stilte en rust en zomerse rijpheid. Een koolwitje en een citroentje fladderden er, een bij zoemde. een merel zat op een tak filosofisch op ons neer te kijken. In de stal van de boerderij naast ons klonk even het geluid van een melkemmer op de cementen vloer.
Mijn vader was gek op dieren. Toen ik drie, vier was (ik was enig kind), zaten we op een mooie zomerdag in de serre aan een tafel met toch zes levende wezens: m’n moeder, m’n vader, ik, een stoel met de vrij kleine, felle hond Tommie, een stoel met de Cyperse kater (Poepie), en op de tafel een machtige Wyandotte haan. Hoewel de dieren elkaar wel eens opjoegen, heerste er aan tafel altijd vrede. Genoeg eten betekende rust.
Toen enkele jaren nadien voor een Amsterdams Bos de schop werd gezet in de oude, versleten polder met ruïnes van boerderijen (o.a. aan de Karnemelkse weg, een zijweg van de Nieuwe Meerlaan), lukte het een enkele, verwilderde kat de nog smalle Amstelveenscheweg heelhuids over te steken en op de boerderij ergens onderdak te vinden. M’n vader begon het dier dan naar ons huis te lokken, met hapjes en met praatjes, tot het dier tenslotte bereid was binnen te komen. Toch ging dat een keer fout: we lieten visite uit aan de voordeur en ineens vlogen alle gordijnen in de erker van de roeden. Het geruststellen begon opnieuw.
We hadden ook eens een eend, met één oog: hij had een teil met water onder de serre. Elke dag om half zeven (hij droeg uiteraard een polshorloge) kwam hij aan de keukendeur voor een kouwe aardappel.
Kippen leefden bedrijvig in de ren onder het keukenraam. Maar m’n vader leerde ze in huis te komen. We hadden ook een driekanten ren voor kuikentjes, een groot soort Toblerone van latten en gaas, die in de keuken werden uitgebroed – en in m’n boekenkast staat nog een uit die tijd overgebleven kippenboek, uit het Deens vertaald door mevrouw Van Eeden-Van Vloten (ja, die)..
De vos (paard) in de wei van de boerderij naast ons was een wat eigengereid dier. Soms lukte het boer Jan niet het te vangen met als doel het vervolgens voor de melkkar te spannen. Dan werd m’n vader erbij gehaald. Hij ging in z’n eentje het weiland in, begon te praten tegen het paard en na een tijdje kon hij het bij de halster grijpen en meevoeren. En dan was het dier zo rustig geworden, dat ik – zonder zadel – op de rug van het paard werd gezet en we naar de melkkar gingen.
In 1972 was alles gesloopt en na een paar jaar kwam op die plek van ons paradijs De Iep. De stadsuitbreiders hielpen de slijtende tijd geducht. Ik ruik nog het zonlicht, m’n hand voelt nog de kat en m’n tong proeft nog het gebakken ei.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Deel dit artikel nu met je vrienden!

