
Amstelveenscheweg 797
op grond van jaartallen
1928 (3 april) – Ik word geboren als enig kind in de Réaumurstraat 24 (Amsterdam-Oost: De Wetbuurt).
1930 (najaar) – We bezichtigen Amstelveenscheweg 797. Ik herinner me: de gastvrouw staat in de gang, zwart krullend haar en heel mooi; ik word voor het eerst verliefd (maar ze is niet bij de aanstaande koop van het huis inbegrepen). Een wit hondje blaft buiten aan de keukendeur.
1931 (1 februari) – We verhuizen naar het nieuwe huis dat veel groter is dan het vorige. En veel duurder. In crisistijd.
M’n vader heeft bij de Amsterdamse Gemeente Telefoon (later PTT) een technische functie: tot 1954 mede-verantwoordelijke voor het goed functioneren van brand- en politiemelders, verkeerslichten, trambloksignalen.
Hij moet een behoorlijk zware hypotheek op het huis nemen. De achtertuin moet alle groenten en fruit voor het gezin opleveren. Met het geld dat hij daarmee bespaart, wordt een goed deel van de hypotheek afbetaald.
Die tuin, de arcadische, vredige weg, het lange groene uitzicht tot voorbij de Amstel… het maakt alles paradisisch voor me.
1937 – Een paradijs gaat nooit eeuwig mee. Ook het mijne niet. Tegen 1937 kondigt men dat al aan. De Amstelveenscheweg gaat men verbreden en verhogen. De slootjes langs de weg (met soms bruggetjes naar de huizen) worden gedempt. De voortuinen brengt men terug tot nauwelijks. De nu zo brede weg lijkt op een snelweg voor alle bussen (er was nog geen maximumsnelheid). Natriumlampen maken van elke voorbijganger een wandelend lijk: in het donker is de weg een kerkhof. De huizen hebben stoeptreden omhoog naar de weg, de boerderijen zijn verzakt achter hoge betonnen wanden en lang hekwerk.
1940 (mei) – Zomaar ineens, als komt hij uit de lucht vallen, is het oorlog: we worden in de Europese activiteiten geduwd en ook als het weer vrede is, gaan die nooit meer over. En het paradijs? Ach, de tuin heeft nog jarenlang z’n functie van geldleverancier voor de hypotheek – maar het paradisische is eigenlijk voorbij.
1950/51 – M’n vader verbouwt het huis tot twee woningen, want ik ben zo langzamerhand het huis uit.
1954 – M’n ouders gaan in Tiel wonen (hun geboortestad) en enkele jaren nadat m’n moeder in 1972 is gestorven, gaat m’n vader even buiten het Zeeuwse Kwadendamme met een vriendin wonen. Ze is even oud als hij, tegen de tachtig: ze groeide op in het Kalverstraatse Weeshuis, kreeg een balletopleiding, was iets aan het Hof (op ’t Loo verborg ze in WO II twee Engelse piloten), ze zong in de Mattheus bij Bernard Haitink, met wie ze nog steeds contact heeft.
Ze spint en klost in opdracht kant, ze speelt piano, ze is zelfs, toen ze 72 was, koordirigente geworden en wint concoursen (ik vraag m’n vader: draag je dan het foedraaltje met het dirigeerstokje voor haar?).
1982 – Z’n vriendin overlijdt. M’n vader blijft alleen achter in Zeeland. Hij is 87, kan nog alles zelf. Rond 1978 repareert hij bijvoorbeeld in de Franse Alpen, met z’n vriendin per vakantiebus uit Rome op weg naar Zeeland, de motor van de bus: de chauffeur heeft al een reservebus uit Nederland geroepen, die komt dus vergeefs. In diezelfde tijd bouwt hij een serre aan het Kwadendamse huis – alleen bij het betongieten voor de vloer heeft hij hulp gehaald. En inderdaad, hij kan alles nog zelf. Maar… hij zit alleen, hij vliegt tegen de muur op van eenzaamheid.
In 1972 is m’n ouderlijk huis, nummer 797 dus, mèt wat er nog over is van het paradisische, gesloopt. De weg moet breder worden – maar later wordt dat idee bijgesteld. Tien jaar na de sloop ga ik nog ’s kijken en ik zie het Marius ten Catehof. M’n vader zoekt ándere huisvesting en ik denk: hier, op Bolestein. Maar hij wil niet, want dan woont hij ‘in z’n achtertuin’ en dat is te emotioneel.
1985 – Mijn vader overlijdt in Laren.
2008 – In november zijn via het 1001 Bomenplan van het toenmalige stadsdeel drie krentenbomen geplant midden in het grasveld (waar m’n ouderlijk huis stond) dat tussen gebouw De Iep en de Amstelveenseweg ligt: vanwege m’n stadsdeeldichterschap. Ik noem de bomen van noord naar zuid, maar alleen voor mezelf, Stijntje, Nicolaas en Karel (ssst!): de voornamen van het driedelig gezin dat we daar vormden. Heel nostalgisch, omdat het allemaal over is: het huis, de voor- en de achtertuin, de boerderij ernaast, de weilanden, de landelijke weg, de onschuld van m’n jeugd, de jaren en jaren.
2010 – Ik woon sinds enkele jaren op Bolestein. Ik schrijf er deze herinneringen. Door de bomen en struiken, over het gras, komt soms nog iets dat lijkt op de geur van het paradijs. Maar wel zwaar gemixt met de stank van auto’s op de Amstelveenseweg, die huidige angina pectoris van Buitenveldert.
Tuin zonder
Ik stort m’n computer handenvol gedichten.
De zon begraaft z’n gezicht in m’n gordijnen.
De bloemen buiten geuren me een aubade:
ik ben met hen ooit in het paradijs geweest.
Nu heeft het geheugen een bloementuin over.
Maar zonder bloemen. Maar zonder tuin.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Deel dit artikel nu met je vrienden!










