
Amstelveenscheweg 797
er is veel zand aan de hand
Die aprilse morgen in 1937 kreeg ik m’n eerste fiets. Ik had ‘m al een hele tijd zien staan in de etalage van de fietsenwinkel schuin aan de overkant: een doortrapper met maar een (hand)rem, voor op het voorwiel.
Die morgen ging ik naar m’n vriendje Corrie. Hij was de zoon van een aannemer die een prachtige brug zou bouwen van Stadionplein naar Amstelveenscheweg en daarbij oude Spaanse munten uit de zestiende eeuw zou vinden. Ik stelde me daarna die soldaten voor op de smalle dijk die de weg toen nog was: het Spaanse vendel op de uitmarsch.
Corrie woonde op eenhoog in een van die teruggetrokken oude huizen schuin tegenover de Nieuwe Meerlaan.
De weg was een vlakte van zand. De arcadische, door eigen gewicht en door de eeuwen een heel stuk in de veengrond weggezakte polderdijk moest de uitval worden van Amsterdam richting Amstelveen en Schiphol. Dus veel breder maken, op een nippertje na van de huizen aan de ene tot die aan de overkant, voortuinen overal weg, en dan zand erop, zand erop. De boerderij naast ons stond iets van de dijk af, op polderniveau, en men had een betonnen wand moeten maken om het zand tegen te houden, anders schoof het zo de huiskamer in. Als jongen van nu 9, en zowat een kop groter dan m’n klasgenoten, kon ik niet over die dam heen kijken.
Op het zand bij Corrie’s huis stond een gesloten houten wagen. We klommen op de hoge bok en begonnen te zingen, of liever: te brullen. Hoor mijn lied, Violetta, hoor mijn lied, dat ik zing voor jou.
’s Middags moest Corrie naar accordeonles, want die ging door – vakantie of geen vakantie.
Na een paar boterhammen met pindakaas en een emaille kroes met limonadesiroop ging ik weer de deur uit. Het zand vloog in de hal en in m’n ogen. Toch lag het niet in de voortuin. De drie huizen, waartoe m’n ouderlijke woning hoorde, hadden nog onbedekte voortuinen, waar het zand omheen was gestort: er liep een onteigeningsproces.
Ik begon een kasteel te bouwen in het zand, zeker wel een vierkante meter. Ik maakte er een gracht omheen en goot die vol met water. Ik zette wat madeliefjes op een toren, maar die verslapten al gauw.
En toen kwam oudtante Ger op verjaarsvisite. Ze was de vrouw van de broer van mijn grootvader. Het echtpaar woonde Margaretha van Borsselenlaan 16 in Amstelveen.
Ik moest natuurlijk binnenkomen. Tante gaf me een stevig boek over P.P. Koekelberg en zijn vriendjes, door A.D, Hildebrand. Ik heb het vaak gelezen. Peter Poele Koekelberg werd afgekort tot Pepeka. Die vriendjes waren Centebuik, het spaarvarken, poes Mies, hond Pluimstaart en een gummie kikker Puiloog. En steeds weer speelde het zich in m’n onbewust meefantaserende gedachten af in onze achtertuinen. Het schuurtje had bijvoorbeeld iets van de golfplaten garage die Richard Sell in z’n tuin naast ons had.
Het boek verdween tenslotte in de vuilnisbak van de volwassenheid, helaas.
En dan, in 1976, kom ik een druk tegen in de uitverkoop bij V&D. En het blijkt nog wel twee deeltjes extra te hebben. Ik weer lezen. Het eerste deel kende ik nog bijna uit m’n hoofd, elke zin kon ik meedoen, zoals sommige mensen met een vioolconcert mee kunnen neuriën.
De andere delen was ik niet gewend, dus die deden me minder. Tot… tot ik ontdekte dat voor die veelgelezen kleine ‘held’ uit m’n jeugd de zoon van de schrijver had model gestaan.
En ik herinnerde me ’50, die tijd. Toen ontmoette ik eens Tonio Hildebrand. de zoon van. Hij deed wat in auto’s, racen en verkopen en zo, meen ik. Hij droeg een geruite pet, een geruit pak met pofbroek (‘drollenvanger’) en een snor die je zowel links als rechts om een vinger kon winden. Ik vond het een vreemde figuur en heb de kennismaking niet gecontinueerd.
En dat was dus Pepeka!
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Deel dit artikel nu met je vrienden!










