
Sollicitatie hoofdkantoor ING
La Parisienne is parfumzacht
als de huid van de lente, die geurt
naar geboorte en bloemen van verlos.
Dijken van kaas omarmden haar al
in Holland. Van haar lippen ging de
brandweerrode ziltezeeluchtzon op.
Ze lachte en de dagen waren tandenwit.
Ze stonden als beelden van blank marmer
op de groene borstkas van de aarde.
Ze ademde gras en tulpen en narcissen.
Haar ogen waren wielen van water,
waaruit de morgens met nevelhanden
klommen over de roodogige kersen.
En nu.
In Amsterdam leest ze de dagen,
die bladzijden van de zon,
zij leest de woorden van licht,
de woorden van tolerantie en hoop
die zo Amsterdams moeten zijn.
De toekomst is als een grote multicolour
vlinder op de bloemen van de dromen.
Parijs was een republiek van pleziertjes
en van lijden, zingend voor zichzelf.
Amsterdam, vindt ze, kijkt (door
duizenden vensters, schoongewassen met de
zoute handen van de zee) naar de
golven van de wereld, naar de
vruchten van het paradijs.
Zij leest de bladzijden van de zon
en ze leeft leeft leeft leeft.
In dit vandaag klimt de morgen,
haar eigen morgen,
over de stenen mantels van de stad.
Terwijl ze met de chansons van haar
vingers een paardebloem van
Nederlandse nationaliteit wil strelen,
die huist in de ringslangige berm van
de Ringweg, omsingelt ze Amsterdam
met de faubourgs van haar verwachtingen.
Zal ze wonen met de mensen
die Gershwin spelen en voetbal, die
kinderen dragen, en winkelen
alsof er geen tijd bestaat?
Zal ze spreken met de mensen
die zaken hamsteren in de gebouwen?
Zal ze tussen hen haar toekomst bergen?
Maar wat weet ze, vraagt ze,
van de melkende uren van de liefde,
wat weet ze van de daden om geld en goud?
Maar deze morgen, ce matin…
Roodaangelopen, uit een grijze kuil,
is de zon allang het telkendaags bestaan
begonnen: bij opkomst al
een blije dag van zins.
Daar wandelt la Parisienne
met haar verborgen borsten.
Verwachting winkelt met
beelden, des images, in haar.
(Kijk wat je verwacht. Je zit voor
een groot oog van glas en de getallen
vallen hoog over je heen:
een spinnenweb cijfers van geld.
Zul je zover komen? Er blijven?
Laat het niet duren tot je zelf
twee glazen ogen hebt gekregen.
Kom intussen binnen: je afspraak
heb je prompt om negen uur).
Een laatste schoonmaakster (zuidse
assepoester in dagelijkse dienst) veegt
het laatste vuil van de gangen,
poetst as uit asbakken. De chef
geeft la Parisienne een hand van hallo.
Ze noemt haar naam. Hij glimlacht: Prins,
en wijst een stoel. Een gravure meldt zich
aan z’n muur: wit paard, dansend in
een zwoele dag. Zul je passen,
Parisienne, jij ook, zul je met je kansen
passen, meisje, in deze grote glazen muil?
Maar de morgen is een begin van wat ze
groeien wil, de toekomst in.
Karel N.L. Grazell
La Parisienne is parfumzacht
als de huid van de lente, die geurt
naar geboorte en bloemen van verlos.
Dijken van kaas omarmden haar al
in Holland. Van haar lippen ging de
brandweerrode ziltezeeluchtzon op.
Ze lachte en de dagen waren tandenwit.
Ze stonden als beelden van blank marmer
op de groene borstkas van de aarde.
Ze ademde gras en tulpen en narcissen.
Haar ogen waren wielen van water,
waaruit de morgens met nevelhanden
klommen over de roodogige kersen.
En nu.
In Amsterdam leest ze de dagen,
die bladzijden van de zon,
zij leest de woorden van licht,
de woorden van tolerantie en hoop
die zo Amsterdams moeten zijn.
De toekomst is als een grote multicolour
vlinder op de bloemen van de dromen.
Parijs was een republiek van pleziertjes
en van lijden, zingend voor zichzelf.
Amsterdam, vindt ze, kijkt (door
duizenden vensters, schoongewassen met de
zoute handen van de zee) naar de
golven van de wereld, naar de
vruchten van het paradijs.
Zij leest de bladzijden van de zon
en ze leeft leeft leeft leeft.
In dit vandaag klimt de morgen,
haar eigen morgen,
over de stenen mantels van de stad.
Terwijl ze met de chansons van haar
vingers een paardebloem van
Nederlandse nationaliteit wil strelen,
die huist in de ringslangige berm van
de Ringweg, omsingelt ze Amsterdam
met de faubourgs van haar verwachtingen.
Zal ze wonen met de mensen
die Gershwin spelen en voetbal, die
kinderen dragen, en winkelen
alsof er geen tijd bestaat?
Zal ze spreken met de mensen
die zaken hamsteren in de gebouwen?
Zal ze tussen hen haar toekomst bergen?
Maar wat weet ze, vraagt ze,
van de melkende uren van de liefde,
wat weet ze van de daden om geld en goud?
Maar deze morgen, ce matin…
Roodaangelopen, uit een grijze kuil,
is de zon allang het telkendaags bestaan
begonnen: bij opkomst al
een blije dag van zins.
Daar wandelt la Parisienne
met haar verborgen borsten.
Verwachting winkelt met
beelden, des images, in haar.
(Kijk wat je verwacht. Je zit voor
een groot oog van glas en de getallen
vallen hoog over je heen:
een spinnenweb cijfers van geld.
Zul je zover komen? Er blijven?
Laat het niet duren tot je zelf
twee glazen ogen hebt gekregen.
Kom intussen binnen: je afspraak
heb je prompt om negen uur).
Een laatste schoonmaakster (zuidse
assepoester in dagelijkse dienst) veegt
het laatste vuil van de gangen,
poetst as uit asbakken. De chef
geeft la Parisienne een hand van hallo.
Ze noemt haar naam. Hij glimlacht: Prins,
en wijst een stoel. Een gravure meldt zich
aan z’n muur: wit paard, dansend in
een zwoele dag. Zul je passen,
Parisienne, jij ook, zul je met je kansen
passen, meisje, in deze grote glazen muil?
Maar de morgen is een begin van wat ze
groeien wil, de toekomst in.
Karel N.L. Grazell
Deel dit artikel nu met je vrienden!










