Uit de reeks 10 gedichten over het nieuwe Stadsdeel Zuid vandaag het gedicht van Karel - stadsdichter- Grazell over Buitenveldert

Buitenveldert
Amstelveenscheweg: Veendijk
(een fantasie)
De oosterstorm drukte toen het water
tegen de glooiing van de dijk
en vlak bij z’n lekke schoenen.
Soms spoelde er een stengel mee
of zelfs een stuk gedroogde turf.
De al gegraven sloten liepen over,
het land droeg een bassin van water,
waarop de storm met handen van wild kletste.
Jaan droeg een veenspa op z’n schouder
en leunde tegen de opdringerige luchtdruk.
Ineens liep er een man schuin achter hem
en riep: noem mij Ismaël.
Schreeuwend konden ze elkaar
een zier verstaan.
Toen even de storm wat minder aanging,
riep de man: kijk, die is voor jou.
En als in een film uit Hollywood
zag Jaan nu hoe dichtbij de dijk
een grote terp kwam, druipend omhoog
uit het wilde water.
Bouw hier je gedoente, huis en stal, riep Ismaël
en was opeens verdwenen.
De zon stond steil de volgende dag te doen
in de nog lang niet klare polder
en Jaan zag dat de terp nog steeds bestond
en hoe het water was gezakt.
Er liep door het land een brede vaart,
waarin hij met een roeiboot zelfs kon keren,
en hij besloot een achternaam te nemen:
Van der Vaart.
Ruim achthonderd jaren leefde zijn geslacht
daar op en rond die terp.
Tot de stad dan nader sloop
en het gedoente liet verdwijnen onder dikzand.
Zelfs de vaart dolf onderspit.
Zie het niet meer voor je.
Denk alleen aan
die meer dan acht eeuwen doorzetten.
Want daarin ontmoet je de poëzie van het leven.
’n Kwart eeuw na die stormvloed reed Graaf Floris Vijf
rijk van gevolg over de oever van de Amstel
en droeg het perkament van tolvrijheid
naar de lieden die woonden bij de (al zevende) dam.
Deel dit artikel nu met je vrienden!










