
de voodoo van het zieke water in Benin
aan Z.K.H. Prins Willem Alexander n.a.v. wandelen met water in vele gemeentes en rond het Olympisch Stadion
Het raam van mijn wonen staat open op
de lente. En glinsteringen van het Zuid
waar ik woon, vervluchtigen m’n kamer
in, soms ook alleen maar een vermoeden
of een weten: het verre orgelen van een
Buitenveldertse stadsdeelmerel, het ijle
bijenzoemen van de zwermen auto’s op
de ringweg van de horizon, de spokige
stemmen die zonder mensen zijn, en de
brokaten stilte van wat vlindervleugels,
het luiden van de St. Augustinusklok,
de vermoeide voeten van de democratie,
die joggen langs de ikhoefwel, ikwilniet
Ja-Nee brievenboxen van m’n Bolestein.
En ik, ik zit bij Zuster Computer. Haar
monitor, die grote blik, is blank nog als
een virgo en wacht m’n vingertaal m‘n
digitaal m’n virtuele vingertaal. Maar
de warmte vraagt me om een ‘watertje’
met schijfje citroen en over ijsblokjes
geschonken. En een zonnestraal glijdt
door het lover, t-tintelt als een angelus in
het glas: ik drink m’n sun on the rocks.
En ik denk in m’n Zuidse woning van
welzijn aan Benin, waarvoor ik werk.
Het hele dorp kon hem niet helpen.
Gedessineerde vrouwen vol in kleuren
persten olie en ziedden zich hun zeep.
Anderen zaten te koken in de ampere
schaduwen van de hutten. De torso’s
van mannen bedilden de katoen in de
droge velden. Een grijze dichter zat lui
te leunen tegen z’n gedachten. Wat
dagelijks is gewend, gaat durend door.
En niemand dorst er naar de om adem
kermende hut van de jongen te gaan.
Het hele dorp kon hem niet helpen.
Hoe was het gebeurd? Er heerste dorst.
Hij ging voor ouders, zusjes en broertjes.
Op z’n voeten van elf jaar trok hij naar
ver water. Een baardige aap drapeerde
lianen tussen de takken, en twee gieren
hingen aan hun hoogtepunt. Daar was de
smeerrivier, de heilige, stinkende python
in het land, gedierte uit de zwierse stad
die de monding heette van de rivier van
de dood. De stad die als een koning lag
aan het banket van de wereld, en afval,
stank en ziektes spuwde in de slikkende
rivier. En de jongen dronk z’n dronk en
hij vulde z’n kruik voor thuis met liters.
Hoorde hij in de verste verte de pluralis
majestatis van de stad of waren het de
barstjeslippen van de gortdorre wind?
Later lag hij in zijn moederhut, alleen,
en hoorde het sissen. De python gleed
binnen, sloeg zich om z’n lijf en leden:
als een liaan van staal, van vraatzucht.
Het hele dorp kon hem niet helpen.
De heilige, stinkende python beet hem de
dood in het gezicht en wurgde z’n hart.
Het hele dorp kon hem niet helpen.
Een premier staat in de Staten Generaal
met maatpak aan en praat, praat en praat:
verheft zich boven de nederigheid van de
Christus waarin hij gelooft, en vol vrede.
Hij drinkt te duur water uit een dure fles.
Het pratenpraat kan niemand helpen.
Ik zit te doen, en ben al tweeëntachtig,
aan m’n qwerty-toetsen in dit rijke rijk
van A’dam-Zuid en speel de vingertaal
de digitaal de virtuele vingertaal uit: met
vliegtuigen die rochelen boven m’n dak,
met drinkwater dat in de leidingen dringt,
en eten kant en klaar in vers en diepvries.
En in dit rijk dicht ik de ampere woorden,
de schaduwen waar m’n gevoelen ademt,
bij elkaar. En moet m’n onmacht huilen.
En het gedicht kan mij niet helpen.
pythons zijn voor voodoo in Benin heilige dieren
en liggen stinkend in hun tempels
angelus: Cath. van Rennes/Victor de la Montagne
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Bolestein 34A
1081 CT Amsterdam
Deel dit artikel nu met je vrienden!










