
de Zaak D.
Na WO II was J, dubbel meester in de rechten geworden (Nederlands en Indisch recht). Hij had een zusje, een moeder, een vader. De laatst was een steile, hoge militair en als je hem aankeek, kreeg je al hoogtevrees. De familie had geld en een dubbele naam: niks adel, maar toch dubbel. En vooral: ze wisten precies hoe J. het leven moest doen en hoe hij een succesvol advocaat moest worden. J. hield kantoor op een voorname lokatie in de Concertgebouwbuurt en er waren een stuk of zes mensen bij z’n praktijk, waaronder een oude routinier.
Op de een of nadere manier raakte ik bij J. betrokken. Ineens zat ik op het kantoor, werd er secretaris, toen chef de bureau en even later een soort associé. Ik was toen net 25. Ik heette meneer Karel op het kantoor. Het waren vreemde tijden.
De familie vond het maar niks. Het vinnige zusje kwam op het bureau werken, maar ik wist haar onzakelijke, emotionele betweterij weer snel de deur uit te krijgen.
In nog geen half jaar zocht ik zaken uit voor cliënten, deed enquëtes, schreef pleitnota’s, die door de advocaat voor de rechter werden uitgesproken. De meester der meesters, François Pauwels, complimenteerde mij eens met een zaak die ik had gedaan.
Op kantoor kwam D. Hij was winkelier geweest, maar z’n huwelijk werd echtscheiding en z’n zaak ging mee de afgrond in. En nu had hij geen cent meer. Zelfs z’n schaduw was bedroevend. We gaven hem soms een klusje als een soort loper. Maar het zou beter voor hem zijn als hij een uitkering kreeg. De oude routinier ontfermde zich over hem, maar de instanties bleven nee zeggen.
We gaan de publiciteit zoeken, zei de routinier. Je kiest een eenvoudig restaurant hier ergens in Zuid en je gaat daar eten: je kiest een goedkoop menu, en als je het op hebt, bestel je opnieuw.
Die avond zaten de routinier en ik aan een heel ander tafeltje dan D. En D. at. Soepje, karbonade met aardappels en doppertjes, puddinkje, soepje – hij haalde bijna drie keer. Toen riep hij de eigenaar en zei dat hij niet kon betalen, hij had geen uitkering. De eigenaar legde een hand op D,’s schouder, zagen we, en D. stond op en vertrok.
Mislukt.
Later kreeg D. toch een baantje als nachtwaker. Hij droeg nu z’n beetje bij aan de veiligheid in Zuid. Maar op een morgen werd hij in slaap aangetroffen. Ga jij maar thuis uitslapen, zei het personeelshoofd.
D. kwam in triestheid te onzent. De routinier dacht na: kom over een week maar terug.
Zeven dagen later belde de routinier met het hoofd personeelszaken. Ik heb hier een cliënt, die van u thuis moest uitslapen. Dat heeft hij gedaan, hij heeft daarna nog allerlei middeltjes geprobeerd, maar het lukt hem niet meer om aan uw opdracht te voldoen. En nu zit hij hier met de vraag van hoe nu verder.
De personeelsman lachte en nam hem weer in dienst.
Na zowat een half jaar kwam er een officieel bericht op het kantoor. Mr. J. werkte met iemand van onder z’n stand (nee, ik was geen advocaat) samen en als dat niet stopte, werd hij geschorst.
De familie had kennelijk toegeslagen.
Ik richtte diezelfde dag nog met een vriend samen een juridisch adviesbureau op – dat verdiende óók heel aardig, tot ik als onafhankelijk vrijgezel weer andere interesses kreeg.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuis
Deel dit artikel nu met je vrienden!










