
Amstelveenseweg 797
taxi voor een diner
Het verhaal heeft, vind ik nu, eigenlijk wat weinig logica, maar zo is het gebeurd.
Bus H reed z’n naoorlogse dagen op de Amstelveenseweg van het kruispunt met de Cornelis Krusemanstraat naar de Kalfjeslaan en retour. Om tien voor half een vertrok de laatste bus tegenover het Haarlemmermeerstationnetje. En er was, nergens in Amsterdam, nachtelijk openbaar vervoer.
Ik kwam vaak veel later uit het studenten- en/of uitgaansleven van de stad en moest dan lopen: anderhalf, twee uur. Ik was tegen de twintig en die nachtelijke wandeling gaf geen enkel probleem.
Vanaf het Stadionplein was het nog twintig minuten. Het eerste stuk van de Amstelveenseweg na het plein, zeg maar tot aan het Weeshuis richting Koenenkade, had nauwelijks bebouwing – alleen aan de oneven zijde een enkele boerderij, een begraafplaatsje, wat blokjes huizen. Aan de even zijde niks. De weg was leeg en doods in het bbrrr lijkkleurig makende natriumlicht van de straatlantaarns. Heel in de verte, hoorde ik. klonk het incidentele brullen van de leeuwen in Artis.
Soms kreeg ik een lift van een taxi, die z’n werk achter de rug had en op weg was naar de garage van Spelde aan de Nieuwe Kalfjeslaan.
’s Nachts met een taxi thuiskomen? Dat paste niet op de allerrustigste Amstelveenseweg. Aan de overkant van mijn ouderlijke woning zaten de buren urenlang in nachtkledij te loeren door de kieren van de gordijnen. Jajaja, daar is’t-ie weer. Morgen aan z’n moeder vertellen.
En zo hoorde ik van m’n moeder nog wel eens dat ik weer met een taxi was thuisgekomen. En jongen, jongen, moet dat nou? Vertellen dat het gratis was, hielp niet: een taxi was een taxi en als je daarin midden in de nacht reed, kon je gauw een slechte naam krijgen. Een Amstelveensewegger reed ook eigenlijk niet met een taxi, behalve in uiterste nood.
En toen waren m’n ouders een weekje op vakantie, naar Drente, o.a. naar de TT-races. Ik was alleen in het ouderlijk huis. Ik belde een aantal vrienden, nodigde ze uit voor een joyeuze maaltijd van drie gangen, onder voorwaarde dat ze allemaal op het Stadionplein afspraken en dat ze dan per taxi – elk stel een aparte wagen – in een kleine rij naar no. 797 zouden komen. Die Amstelveenseweggers moesten maar ’s ineens wennen. De rit kostte inclusief fooi een rijksdaalder, een meer dan acceptabel bedrag voor goed te eten (ik kon aardig koken).
En zo geschiedde het dat er op een zomeravond een kleine vloot van taxi’s aan het trottoir meerde vlak voor Amstelveenseweg 797. Het was uitdagend.
M’n moeder heeft het nooit meer over nachtelijke taxi’s gehad. Die invasie van taxi’s was kennelijk teveel geweest voor de overburen.
Ik zei het al, er zit wat weinig logica in dit verhaal – maar zo, zo is het volgens m’n geheugen gebeurd.
Met alsnog dank aan die aardige, me meenemende chauffeurs van taxi Spelde.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Deel dit artikel nu met je vrienden!










