
Amstelveenseweg 797
Vanaf de verbouwing
Het is 1950 en m’n vader besluit dat het huis te groot is nu ik de deur uit ben: hij gaat hert verbouwen in twee etages. De trap naar boven wordt afgeschermd met een muur, de hal beneden krijgt nu een deur extra: via het eerdere toilet naar de trap. Dat toilet gaat onder de trap, zoals bij veel woningen. En de bovenetage krijgt aan de voorzijde een eigen erker in plaats van een balkon op de erker van beneden.
In die verbouwing heb ik er nog wel eens geslapen. Ik weet het nog: het was dikke zomer en de achtermuur op eenhoog was er deels uit. De etage was leeg, alleen een eenpersoons bed stond middenin: speciaal voor mij bestemd. Ik werd de volgende ochtend wakker door een vogel, die op m’n deken me zat te bekijken. ’n Mus? ’n Spreeuw? Zoiets.
M’n ouders bleven beneden wonen. Als ik, nadat de verbouwing klaar was, wel eens kwam logeren, stond er een opklapbed op de gang beneden en moest ik de fietsen daarvoor opzij zetten.
In 1954 verhuisden m’n ouders naar Tiel en kwamen er andere mensen op die onderste etage wonen. ’n Aantal jaren later ben ik er nog wel eens geweest. Het was mijn huis niet meer, mijn gang niet, mijn keuken niet, mijn serre niet. Kwam dat door andere mensen, andere meubels en zo? Misschien, dacht ik, maar ik liep alleen in de tuin, op datzelfde tuinpad nog van m’n vader. Geen mensen, geen meubels, en zowat nog dezelfde planten. En dat tuinpad bleek ook al niet meer wat het was. Het verleden werd niet meer intact gehouden. Het was heel erg veranderd.
Had ik hier dit, hier dat gedaan?
Ik ging naar boven. Ik zat in een huiskamer die mijn slaapkamer was geweest: daar onder het dikke behang moesten nog die krantenknipseltjes zitten uit toen ik maar een jaar of tien was en in dat huisaanhuis blad De Bosrand wat rijm had gepubliceerd: m’n eerste debuut.
Maar ik zat niet in m’n verleden. Ik zat gewoon in een huiskamer. Er was veel veranderd. Er was veel weg.
Later wist ik wáár dat allemaal weg was.
Niet in die twee etages. Niet in die tuin.
Maar in mij.
Ik ben nog wel eens op zoek geweest naar dat blad De Bosrand uit pakweg 1938, 1939. Ik heb het nooit gevonden. Ik heb tenslotte het stadhuis van Amstelveen gebeld en m’n probleem voorgelegd aan een helderklinkende telefoniste. Ze luisterde oprecht en zei toen:
Ik zal u voorlichting geven.
Na die lieflijke stem kreeg ik echter toettoettoet. Ik heb nooit voorlichting van haar gekregen.
Het verleden blijft geen werkelijkheid, het raakt in gesprek. Het wordt bij mij ‘literatuur’ of zoiets. Zoals dit verhaal.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Deel dit artikel nu met je vrienden!










