Indischmensen
Een gedicht ingezonden door stadsdichter uit Zuid Karel N.L. Grazell. De jaren vijftig rijden met al hun gebeurtenissen door de rooseveltlaan.
Daar leeft in een dubbeletagewoning de uit ‘ons Indië’ verdreven plantersfamilie Desjardins, met Opi en Omi, twee prachtige dochters en een ‘onecht’ kleinkind. Hester in mijn vriendin en ik bezoek haar elk weekend om van haar fraaie kenmerken te genieten. Ikzelf woon op kamer in Haarlem. Als ik bij Hester ben – die op de bovenste etage woont -, dan gaat kleine Fransje beneden bij Opi en Omi logeren.
Een zondagavond rijdt in de Van Baerlestraat.
Hester en ik gaan in haar Ford Taunis richting Haarlem. Het weekend is bijna voorbij, de zondagavond schemert, ze brengt me even naar huis. Bij de P.C. Hooft moeten we even stoppen, omdat lijn 2 net van de Van Baerlestraat naar de deftige, doodstille zijstraat afbuigt. Ik wil Hester vertellen dat Van Baerle dacht dat hij van glas was en dat hij verdronk in z’n eigen put, en dat Hooft een liefdesbrief schreef met z’n eigen bloed en dat we die nog steeds hebben, maar ze wijst en zegt: daar ligt m’n vader. Hij is betoel vorige week overleden, spoedopname in het Wilhelmina Gasthuis. Overleden? De tram is voorbij, we rijden weer. Gecondoleerd. Wat erg. Waarom heb je er niets van gezegd? Ik wou ons weekend niet verknallen. Trouwens, ik zei wel betoel, maar alleen omdat je zoiets dan zegt. Maar je weet, hij en ik pasten niet bij elkaar. Er was niets tussen ons. Dat weet ik, maar dan nog… In Deli was-t-ie de directeur, hij controleerde en regelde en gaf bevelen, en als-t-ie thuis was, dan liep-t-ie rond als een ijzeren generaal. Morgen wordt-ie begraven op de Nieuwe Ooster. Elf uur. Kom je ook? Natuurlijk. Komt Fransje? Hoe hebben jullie het hem verteld? We hebben er wat anders van gemaakt. Hij begrijpt nog niet wat dood is. Bovendien waren hij en m’n vader grote vrienden. Hij zou het niet hebben kunnen verwerken. We hebben hem verteld dat Opi een lange reis maakt naar Indië.
De herinneringen rijden door de Rooseveltlaan en helpen het leven door te gaan.
De etage van Omi is vol mensen. Ze staan in kleine groepjes te praten, met een broodje en een kop koffie. Gewoon zoals het in Holland na begrafenissen gaat. Midden in de achterkamer zit Omi in een grote rotanstoel. Er lijkt een zweem van opluchting in de kamers te heersen, zo van: wij nog lange niet.
Fransje rommelt een beetje tussen de mensen door, soms hoort hij wat woorden die uit zwarte jurken en kolberts dalen, of uit sombere ogen. Toen straks in het zonlicht dat op de kist scheen, leek die kleding veel minder zwart. Hij staat even stil bij de stoel van Omi, raakt haar hand aan en loopt naar een tafeltje in de voorkamer. Op een gebatikt kleedje staat een foto van Opi achter glas, in een oudzilveren lijst. Hij kijkt er even naar, pakt het op, en gooit het hard op de vloer. Het glas breekt. Opi is weg, roept hij, ikke ben nu Opi. In de kamers zwijgen plotseling de mensen, als het graf.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Deel dit artikel nu met je vrienden!










