Zuidas / Buitenveldert
Zuidplein
Onderdeel van de 10 van Zuid van Karel N.L. GrazellEr loopt een vrouw te leven naar het station.
Jong. En wuivend blond: een ode aan de zon.
Donkerblauw haar mode. In haar: een haard
van beelden waar ze heen zal gaan. Ogen die
naar binnen kijken. En oren die naar binnen
horen. Hoe zal het gedicht zijn dat ze is?
In de terrasstoelen zitten duizend stemmen
vol van zinnen, met een grote xylofoon van
glaasjes tot soms aan de rand. Ze spreiden,
met een zakentoren in de rug, een babel vol
van talen op het plein ten toon.
Er loopt een vrouw te leven naar het station.
De dichter dezes drinkt haar, drinkt z’n pils,
en vraagt zich af. Ziet ze in haar binnenst al
de beelden van de Tuilerieën? Hoort ze nu
het straatrumoer van Londen? Wandelt ze
hier langs me vol van Bijenkorfse dromen?
Ruikt ze de geuren van de Schotse meren?
Of denkt ze aan vergaderen in Rome?
Ach, wellicht ook keert ze nu al op haar
spoor terug en blijft ze, mag ik het gedicht
gaan schrijven dat ze is. Aldus
de dichter dezes.
Maar.
Ze schuift het station in en denkt: m’n voeten
doen pijn, ik zal straks nieuwe schoenen
moeten kopen in Berlijn.
(o ja, en ’n dom blondje verft nooit haar haren donker: slim hè?)
Deel dit artikel nu met je vrienden!











