
VuilerAmstel
(ik zal, nu oud wandelend in de gouden honingraten van
dit stadsdeel, straks de wraak van de aarde, de afbraak
door vuil, klimaat en strijd toch niet meer zien?)
De zwarte vlinder in het uitzicht van mijn oog.
De gebarsten dageraad met de roodgloeiende wolken.
Breuken in de hemel, waaruit vlammen druipen.
Eskaders van vogels met bloed op de zwarte vleugels.
Een lange, schemerse wind van sterven rond de stekende torens.
Een bijna gedoofde zon gilt in een blootgekomen kamer.
De Amstel, rivier van chemie en troebel,
heeft z’n oevers beschadigd met terminale liefde.
De panna montata van de Rivierstaete is ineengezakt.
Ringslangen op Zorgvlied als uitgestoten darmen.
In verwelkte bedden zijn de omkomende zieken geplant:
in het buigende ziekenhuis staken de instrumenten –
drup-drup druppelt de laatste gezondheid weg.
Een dood kind dat geen dichter zal worden.
De scheldende katten met het zand van de dorst in hun bek.
Duizenden mensenmonden vinden geen kraan.
Een meute van trams en bussen kreunt tot voorbij alle haltes.
Auto’s die stikken of zich ophangen aan parkeergelden.
De boom die z’n gewonde vruchten op het brandend land laat vallen.
Het park staat te huilen rond de vallei,
waar de kartonnen rododendrons scheuren.
Een narcis is een naakt skeletje in het bruine gras..
Een meer vervuild met oorlog op de sierranden van de golven.
Zeilboten tonen hun buiken aan vluchtende sterren,
die gouden atomen in het lijkbleke maanlicht.
En mensen mensen mensen die tussen de gegrilde huizen liggen:
als leren zakken waaruit het laatste drinken is gelekt:
duizend maal duizend maal tienduizend maal mensen.
Red je. Red je door te zijn zoals je het zou moeten:
vluchteling voor je eigen inborst, adelaar die uit
z’n torsende bergen vliegt.
Laat ik het niet merken:
ik ga moe worden van die veile, vuilende toekomst.
MAAR LAAT IK HET NIET MERKEN.
Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
Deel dit artikel nu met je vrienden!










