karel-grazell-small

Mooi in tooi

(en s.v.p. alles dichter bij alles)

We dachten dat de sneeuwluipaard een zwaar bedreigde diersoort was. De laatste jaren zagen we er nauwelijks eentje. Klimaatverandering. Soms sloop er een verarmoedigd exemplaar nog door de winterse kaalheid van onze omgeving. Hij m/v leek zwak en met gebogen kop. En de vacht was vol vlekken waar geen vacht meer was. De winters kenden haast geen wit meer, wie gooide er nog sneeuwballen?
Maar deze keer bleek het anders te zijn. De sneeuwluipaarden waren met honderden in het uitzicht geraakt, dat ik heb op dit fragment van de wereld. Ze slopen onder m’n ramen door de perken. Ze sliepen in de oksels van de ontbladerde bomen. Ze kropen onder en op de geparkeerde auto’s. Ze lagen in de frisse winterzon op de daken van de flatgebouwen. Ze draaiden rond de krentenbomen en de kornoeljes. Ik durfde niet maar buiten: hun witte muilen waren te wreed geopend, ik was bang uit te glijden op hun witte bloeddorst en gegrepen te worden door de klauwen van het noodlot..
Elke beweging, hoe gering ook, hoe virtueel ook, werd door hun witte loeren gevolgd – dwars door de ruiten van m’n woning heen. Het was zo erg dat het zelfs gevaarlijk leek om een gedachte te denken, om een woord te schrijven. Ik trachtte zoveel mogelijk in een staat van freeze te verkeren. Ik keek televisie, het kon nog als ik het geluid bijna stil hield en de soms wat ongelukkige ondertiteling beluisterde. Ik las veel boeken, veel gedichten, maar het omslaan van de bladzijden moest al voorzichtig gebeuren. De grijze gordijnen waren zoveel mogelijk dicht.
Tenslotte, na tientallen en tientallen dagen trokken ze zich terug, ze joegen teleurgesteld over de waterlinie en de grote rivieren, langs Velp en Nuenen, langs Dinkel en Roer, dwars door het Westfaalse landschap en Lippe-Detmold schrobberende, voorbij Berlijn en Chemnitz naar de Siberische toendra’s. Daar kropen ze verbitterd in hun sneeuwholen.
Ik kon weer naar buiten komen alsof ik een mail ben, een niets van taal in een digitale brievenbus.

voorjaarsklassiekers

De lente is er officieel nog niet. Maar het voorjaar kijkt niet op de kalender. Het steekt gewoon de bloemen naar ons toe. De krokussen, hyacinten, tulpen, narcissen, die eerste voorjaarsklassiekers. spelen hun na-sneeuwse kleuren door Rivierenbuurt en Irenebuurt en Buitenveldert en Apollobuurt en Stadionbuurt en Hoofddorppleinbuurt en Pijp en Concertgebouwbuurt*). En we horen de Mattheus Passion al: O Haupt voll Blut… (tijdens bevrijdingsfeesten in 1945 kreeg ik een blokfluit van een lieflijk meisje, met een leerboekje erbij – daarin begon het met O Haupt: heidense oogsthymne van rond het jaar 1000 uit de omgeving van Ootmarsum, zei de tekst, waar of niet waar). De gordijnen van het jaar gaan nu echt open: en daar wandelen we, ieder optredend als solist in het soms dramatische, soms komische stuk: De Zon Van 2010.

Een sneeuwklokje bloeit.
Gras tilt rillend de lente
uit de laatste sneeuw.

*) Die binnenkort gaan samensmelten met overigens veel te grote afstanden voor de overheidsdienstverlening en de interne communicatie (die van alle bewoners): doe daar wat aan, heren, anders is stadsdeel Zuid alleen nog maar een bordspelletje: Mens verveel je niet, voor wat zegmaar qualitate qua bestuurders. Neem mij bijvoorbeeld: ik woon als Buitenvelderder in een van de mooiste uithoeken van Amsterdam en Nederland (op die smerige angina pectoris na: de Amstelveenseweg na – maak er wat van, heren), de winkels zijn over het algemeen ver weg, de bewoners van de Pijp bijvoorbeeld eveneens, de overheid helemáál. Dat zou anders moeten: de mensen moeten niet naar het bestuur komen, het bestuur moet naar de mensen komen – en de bewoners moeten contact met de bewoners hebben. Open wat kleine overheidsfiliaaltjes en stimuleer het samen stadsdeel zijn (‘\samen zijn we Zuid’) met ideeën, met media als bladen en internet – en denk daarbij vooral in de termen van consumer benefits.
Zet Zuid goed op de kaart: we zijn het waard!

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid

 

karel-grazell-small

Boom 1001 in het Beatrixpark
(1001 Bomenplan van Henk Boes)

Dit is de boom die een kroon in z’n kruin draagt:
een schorsen koningsmantel om de prille schouders
en z’n mooiste tak als scepter.
Duizendmaal is al een boom geplant
(voor wie we eren en liefhebben).
En hier resideert dan in het Beatrixpark.
de duizendeerste, de jongste, de laatste
van een nieuwe generatie groen,
en wuift naar ons een koninklijke groet.

Wie, eerder of pas straks geboren,,
langs hem wandelt in z’n toekomst
van jaren, tientallentientallen jaren,
zal hem, Z.M. Boom 1001 genaamd,
een glunderblij respect betuigen
zoals aan een majesteit betaamt.

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid
18.2.10

 

karel-grazell-small

Gedichtendag in Amsterdam-Zuid

(donderdag 28 januari 2010)

Vandaag is gedichtendag net als smeltende sneeuw
in alle straten en parken van Zuid te zien.
Op het Museumplein landen de dromen van
alle Amsterdam-Zuiders:
hoor ze giechelen en spelen,
hoor ze griezelen en verlangen.
Bezwijk voor het spiegelbeeld van een mooi iemand
in een Beethovenstraatse winkelruit.
Vol van schemermorgen joggen schuddende spieren
als een bollenveld van kleuren langs de rivier.
Een eerste vogel met nog schampjes van de zuiderzon
op de vleugels aarzelt wat geluid naar buiten
tussen de nog rillende takken van het Beatrixpark.
Stel je voor: de volle populieren van toen
de zomer aanklopte aan de Van Tuyllse huisdeuren.
Ruik de koppige geur van een kopje ristretto
dat tegenover het Stedelijk klaarwakker voor je staat.
Denk je in: de juichende armen van de winnaars,
pas geleden nog omhoog in het Stadion.
Kijk hoe de auto’s op de Ringweg zijn veranderd
in gouden bijen die honing brengen naar de
grote korven van de Zuidas.
Vandaag is gedichtendag net als smeltende sneeuw
in alle straten en parken van Zuid te zien.
Merk overal poëzie vandaag.
Overal poëzie vandaag.
Overal poëzie.
Want gedichtendag brengt je vandaag
over de grens van het gewone
en maakt je tot  bijzonder, tot een wonder,
tot een gedicht dat lééft.

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid

 

 

karel-grazell-small

VuilerAmstel

(ik zal, nu oud wandelend in de gouden honingraten van
dit stadsdeel, straks de wraak van de aarde, de afbraak
door vuil, klimaat en strijd toch niet meer zien?)

De zwarte vlinder in het uitzicht van mijn oog.
De gebarsten dageraad met de roodgloeiende wolken.
Breuken in de hemel, waaruit vlammen druipen.
Eskaders van vogels met bloed op de zwarte vleugels.
Een lange, schemerse wind van sterven rond de stekende torens.
Een bijna gedoofde zon gilt in een blootgekomen kamer.
De Amstel, rivier van chemie en troebel,
heeft z’n oevers beschadigd met terminale liefde.
De panna montata van de Rivierstaete is ineengezakt.
Ringslangen op Zorgvlied als uitgestoten darmen.
In verwelkte bedden zijn de omkomende zieken geplant:
in het buigende ziekenhuis staken de instrumenten –
drup-drup druppelt de laatste gezondheid weg.
Een dood kind dat geen dichter zal worden.
De scheldende katten met het zand van de dorst in hun bek.
Duizenden mensenmonden vinden geen kraan.
Een meute van trams en bussen kreunt tot voorbij alle haltes.
Auto’s die stikken of zich ophangen aan parkeergelden.
De boom die z’n gewonde vruchten op het brandend land laat vallen.
Het park staat te huilen rond de vallei,
waar de kartonnen rododendrons scheuren.
Een narcis is een naakt skeletje in het bruine gras..
Een meer vervuild met oorlog op de sierranden van de golven.
Zeilboten tonen hun buiken aan vluchtende sterren,
die gouden atomen in het lijkbleke maanlicht.
En mensen mensen mensen die tussen de gegrilde huizen liggen:
als leren zakken waaruit het laatste drinken is gelekt:
duizend maal duizend maal tienduizend maal mensen.

Red je. Red je door te zijn zoals je het zou moeten:
vluchteling voor je eigen inborst, adelaar die uit
z’n torsende bergen vliegt.

Laat ik het niet merken:
ik ga moe worden van die veile, vuilende toekomst.
MAAR LAAT IK HET NIET MERKEN.

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid

 

 

karel-grazell-small

Le Canard

Een oud pakhuis in de Spuistraat:
daar hing de kunst zich te vervelen.
Lang geleden. Lang geleden.
Ik heb er eens geslapen
in een blote ruimte achterin,
terwijl Constant z’n doeken
tegen oorlog toonde.
Op m’n spiraal wat kranten als matras:
de winter tochtte op m’n heupen,
ik sliep onder m’n dichtjas
(ik bedacht warmte van woorden).
In een witte zaal vlak naast me
lag een gesneuvelde
geschilderd door Constant,
zwart van dood, rood van bloed.
Er was veel lijden.
Lang geleden. Lang geleden.
De dode was van verf.
En ik van kou.

Karel N.L. Grazell

 

 

 

karel-grazell-small

OPROEP AAN DE NIEUWE STADSDELEN

De Europeanen van Carel Kneulman

De wind sloeg van regen om jullie harde oren.
Daar stonden jullie in jullie brons en hoorden Bach van onder de lier.
– Toen jullie jaren nog niet eens gedachten van gips waren,
zagen de gaten van jullie ogen hoe de maaimachines van de dood
over de vlaktes van Europa draaiden.
hoe al die stemgestoorde kelen reutelden van smeer en onzeer,
pijn en droeve, doorboorde longen.
Zagen de gaten van jullie ogen de rivieren van ketchup,
de bladerloze geraamtes.
Zagen de gaten van jullie ogen de bollenvelden met hersenen vol ik,
die als granaten uit elkander spatten met hun scherven haat en liefde,
de strooigronden met sissende wonden.
en vooral de riekende lijken, vluchtend uit de hartklop van de hospitalen.
Toen werd ons werelddeel van vrede, een vesting van vrede.
Met achter de muren van de horizon de ratelslangen van de mitrailleurs,
het olifantenstampen van bommen,
het olifantenstampen van kanonnen.
En daar waren jullie, wrakkemikkig gips met vaseline tegen wind en regen.
Uitgemergeld. Uitgemagerd in een park.
Het onthoofde hoofd van een godin als een herinnering in de handen.
In de ademlucht een insectenplaag van littekens.
En vragen in de gasten van jullie ogen:
hoe zal het gaan, hoe zal het worden.
Het echtste beeldhouwwerk dat ons Europa heeft:
hier bestaan we met niets dan wat hoop, onthoofde hoop
op een splintertje paradijs.
En de jaren groeiden en de wonden heelden en de landen
werden welgedaan en kijk daar stonden jullie eindelijk in jullie brons.
De wind sloeg van regen om jullie harde oren.
En jullie hoorden Bach van onder de lier.
– Nu is ook dit weer over. De aarde loofde zich te warm onder de blote voeten.
Het ging verschrikkelijk mis. De mens vergiste zich welhaast ten dode.
En jullie raakten kwijt in een van welvaart zo vermaledijde tijd.
Teveel van hebben, te weinig van zijn,
De dagen dragen nu een voile van schemer, de lucht is een gaskamer,
om de hele aarde opgetrokken, De adem stokt ons in de stikkende keel.
Er rijden gouden auto’s als Griekse goden, maar hun anus… hun anus…
de steden zijn verstopt met Volkswagen en Ford.
De zee vreet vuil dat we schenken, vuil dat ons de straten uit loopt.
Een stem als een stengel roept:

Wij gaan kapot
aan drop
en aan gordijnen.
Konijnen
lachen zich hier rot.

En elke hersen knerst vergeefs.
We eten de aarde, we eten de dood.
Groen sterft, en puin groeit op de erven.
Er is teveel aan weten, er is tekort aan verstand
(‘t is treurig als mensen de naam van hun eigen domheid dragen).
Het ging verschrikkelijk mis.
En jullie raakten kwijt in een van welvaart zo vermaledijde tijd:
de draken smookten jullie smalle plek in de Van Baerlestraat leeg.
– Maar uitgemergeld, uitgemagerd, daar zijn jullie weer in jullie brons.
Na de guerrilla van de welvaart in al onze straten en huizen.
zijn we jullie evenbeeld weer: nederig in de neerslacht van de nederlaag,
maar met de kracht opnieuw in de spieren van onze geest
voor een sterk begin met blije tuinen
op de puinen van een bijna aftandse, afgedane aarde.
Zet de Europeanen in uw park, mijne dames.
Zet de Europeanen in uw park, mijne heren.
‘t Is het echtste beeldhouwwerk dat ons Europa heeft.


1952 –Beeldhouwwerk De Europeanen van Carel Kneulman
wordt voor het eerst geëxposeerd: op Sonsbeek in Arnhem.
Ik fiets naar Sonsbeek en terug om het te zien.
1955 – Ik krijg van Carel Kneulman toestemming het beeld in gips te kopiëren..
maar het blijkt te groot.
1955 – Het beeld van gips (brons is te duur, vertelt de beeldhouwer me:
minstens 30.000 gulden) wordt tegen het weer met vaseline ingesmeerd
en op een bakfiets vanaf de Amsterdamse Nieuwe Achtergracht naar het Leidsebosje gebrachtom, daar geëxposeerd te worden. Het is waarschijnlijk de laatste keer dat het nog
vervoerd kon worden, hoor ik van Carel. Ben Merendonk maakt een foto hoe ik
De Europeanen interview en het geheel wordt in vele dagbladen geplaatst.
1955 – Bij Bram Wisman in de Paleisstraat zie ik de door hem vervaardigde film
een ander beeld dat Carel maakte (voor de politie in Den Haag).
Aanwezig verder: Tajiri en Carel. Je mag het beeld noemen zoals je wilt,
zegt Carel: zwart en wit (het is in de film geverfd),
goed en kwaad. Later wordt het: Jacob en de engel.
Jaren later: het werk wordt toch in brons gegoten.
Wat tijd terug staat het op het trottoir
aan de overkant van het Amsterdamse Concertgebouw.
Wegens de vernieuwing van het Museumplein wordt het verwijderd.
Het raakt weg, maar na een aantal jaren wordt het weer gevonden.
omstreeks 2010 – Een park wacht op De Europeanen.
WELK STADSDEEL VAN AMSTERDAM WIL ZICH VERHEFFEN?


Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid

 

karel-grazell-small

openluchtconcert


vondelpark: zwangere groene buik
onder poezenvacht wolken.
mensenvolle zomer wandelt
tussen rijpe bomen.

binnenplaats in het park.
grint, planten. stemmen.
eierschaal van tribunes.
en eierschaal van een tent.

nichtgezicht achter mike.
take your time and break it.
zingende meisjes ernaast,
breed als een bar.

synthesizer met wit gebit.
gitarist maakt serpentines.
drummer wordt hartslag.
zweten van zwarte boxen.

geluid loopt de oren over.
vogels tegen trommelvliezen.
spitsuur van klanken.
soms herkenbaar amerikaans.

rijen van luistermensen.
hierzijnwemensen. neuriërs.
hij hasjt. en zij hasjt niet.
een file van applaus.

voeten. schoenenvol. tenenklem.
balletschoenen dun als huid.
sandalen te lang aan.
gympies verwend door asfalt.

basketbalschoenen, blauw/wit.
rode sok. groene sok.
negerlange neger. blue jeans.
rulle trui. muts van pompoen.

een roofvogel met zonnebril.
een bloem in z’n haar,
om tussen gisteren
en morgen te drogen.

oude nozem, volle buik.
krom naast z’n evenwicht.
grijs als how high the moon.
vloekt hij bij ‘t concert? niet.

meisje in clownsbroek.
mager. klein als een struik.
praat verlegen. groet.
gaat voorbij als een bal.

uilenbrilvrouw. met
peper en zout paardenstaart.
wuift als een tak:
vrienden van dochter.

een hoed om te vergeten.
heupen smal als een beek.
lachen in chocolade.
ogen anders, van tropen.

regenjasgrijze dichter.
gesigneerd in z’n gezicht.
woorden lopen voorbij.
het regent op z’n bril.

binnenplaats in het park.
grint, planten. stemmen.
willen niet eenzaam zijn.
wij willen niet eenzaam zijn.

 

karel-grazell-small

mevrouw S. Wensenbach-Teraerden


Welk geluk zal mevrouw gaan kopen
in de Heetboven/Beethovenstraat?
Eerst eens naar de boekwinkel voor
een bundel van Karel N.L. Grazell –
hij schrijft: welk geluk zal mevrouw
gaan kopen in de Heetbovenstraat,
de zonlichtbrede Beethovenstraat?
Aan de overkant mode van Claudia,
maar ja, die is nu zusje van Jamin.
Mevrouw tipt van een chemische
bloem Imitatia de geur op haar hals.
Ze steekt nu het tropische zebrapad
over naar een viskroketje tussen de
wangen van een kadetje en tegen de
regels van mevrouw zijn in eet ze
het op een bankje van het voorjaar:
trams glijden er als walvissen langs
zoals ooit de verduisterde nacht hier
mensen met koffertjes gleed over de
rails naar de eindhalte van de dood.
Bij de slager (mortuarium) kiest ze
biefstuk die naschreeuwt van angst.
Ze vindt dauwbesproeide.citrussen,
de schil.geel van de zon van Matisse.
Zouden ze daar die shabbies hebben,
laarsjes voor trippeltrap in de lente?
Wat, borden met Nijntjes erop? Gaat
het ganse jaar wortels eten worden.
O, en straks zal er een brut cuvée in
onze glazen bruisend gaan dansen.
Zou ‘t met een Saint Albray kunnen,
die kaas als een bloem, waardoor je
ja wilt zeggen tegen elke Pyrenee?
Hoor, het voorjaar zingt de Fidelio
op het terras: Mir ist so wunderbar.
Even erbij met een panna montata:.
zo’n tas vol geluk tilt maar zwaar.

Dan is ze thuis temidden van geluk:
alles uitgestald of opgeborgen. Ach,
nu kan ze zelfs haar man verdragen.

Geluk kan zijn: een duivenveer in de
wind, de vage muziek van een viool.
een herkenning, soms een glimlach
tegen jezelf. Herstel, geluk kan zijn:
gaan winkelen in de Heetbovenstraat,
in de zonlichtbrede Beethovenstraat.
En stel: in je leven heb je wat je bent.
Herstel: in je leven ben je wat je hebt.

Karel N.L. Grazell
Amsterdams stadsdichter uit Zuid

 
Meer artikelen...